Instructie voor gebruik

Voor een correct gebruik van de interactiemodule is het noodzakelijk dat u onderstaande instructie en informatie helemaal gelezen en begrepen hebt.

Informatie voor juist gebruik

De informatie in de interactiemodule is uitsluitend bedoeld voor medisch behandelaars [gevestigd in Nederland] die wettelijk bevoegd zijn psychofarmaca aan patiënten voor te schrijven. Het doel is deze voorschrijvers te helpen efficiënt informatie over interacties in hun behandelbeslissingen te incorporeren.

De volgende punten zijn van essentieel belang:

  1. Deze interactiemodule is bedoeld om te gebruiken als u als behandelaar een psychofarmacon wilt gaan voorschrijven en wilt nagaan of u met interacties rekening moet houden. Hij is niet bedoeld om in geval van bijwerkingen (ongewenste effecten) na te gaan of dit door een interactie veroozaakt zou kunnen zijn (zie hiervoor punt 7.). Alleen interacties tussen psychofarmaca onderling en tussen psychofarmaca en niet-psychofarmaca worden getoond.
  2. Interacties tussen niet-psychofarmaca onderling zijn over het algemeen niet opgenomen. Het is zal dus voorkomen dat er een belangrijk interactieprobleem bestaat tussen twee niet-psychofarmaca die u invoert, zonder dat dit duidelijk wordt.
  3. De interacties die getoond worden, zijn slechts een selectie uit de bekende en aangetoonde interacties. In punt 3 wordt uitgelegd hoe geselecteerd is. Deze selectie is gemaakt, omdat tonen van alle bekende interacties het nemen van behandelbeslissingen meestal niet makkelijker maakt, enerzijds omdat dan vaak een overvloed aan mogelijke interacties getoond moet worden, anderzijds omdat veel aangetoonde interacties zelden tot klinisch relevante problemen leiden.
  4. Alle interacties waarvan bewezen is dat ze in de klinische praktijk voorkomen en tot (ernstige) problemen kunnen leiden, worden getoond. Niet getoond worden over het algemeen interacties:
    1. Die berusten op (een of enkele) casusbeschrijvingen, maar waarvan twijfelachtig is of de gevolgen inderdaad aan de interactie toe te schrijven is.
    2. Die slechts zwak zijn en daarom geen (ingrijpende) klinische gevolgen hebben.
    3. Die slechts voorkomen bij bijzondere en/of zeldzame co-morbiditeit of andere bijzondere en/of zeldzame omstandigheden.
  5. Het is niet uitgesloten dat bij uw patiënt een (ernstige) interactie plaats vindt die niet vermeld wordt. Dat kan twee oorzaken hebben:
    1. De selectie van interacties en andere beslissingen betreffende deze interactiemodule berusten (gedeeltelijk) op subjectieve criteria.
    2. Uw patiënt en zijn medicatie vallen onder de uitzondering bedoeld onder punt 3.c. Als u bij een bepaalde casus twijfelt of meer informatie wilt, kunt via de rubriek “vragen en antwoorden” deze casus aan de redactie voorleggen.
  6. De wetenschappelijke literatuur is uitgebreid geraadpleegd om zo veel mogelijk relevante interacties op te sporen. Het is echter onmogelijk alle interacties, ook niet alle bewezen belangrijke interacties, te vinden.
  7. Als u bij uw patiënt een ongewenst effect (bijwerking) waarneemt en zich afvraagt of deze door een interactie kan zijn veroorzaakt, is deze module minder geschikt als informatiebron. U kunt immers de relevante interactie missen, omdat deze module niet alle mogelijke interacties weergeeft. Andere bronnen, zoals aan het eind van deze instructie vermeld of bijvoorbeeld http://medicine.iupui.edu/clinpharm/ddis/, http://www.drugdigest.org/wps/portal/ddigest of https://online.epocrates.com/ (betaald) zijn daarvoor geschikter. U kunt wel via de rubriek “vragen en antwoorden” de casus aan de redactie voorleggen. U kunt ook een klinisch farmacoloog raadplegen.

Invoer middelen

Typ onder het hoofd “middel” de naam van het eerste middel in. Er verschijnt een lijst met namen die bij elke getypte letter korter wordt. Als u het middel dat u zoekt ziet staan, kunt u erop klikken. Vervolgens klikt u op “toevoegen”.

Als de juiste naam niet in de lijst voorkomt (u kunt dan ook niet toevoegen), wordt de naam niet herkend. Dit kan twee oorzaken hebben. U hebt een typefout gemaakt of u gebruikt een naam die niet in het bestand voorkomt.

Dat laatste kan twee oorzaken hebben. U gebruikt een variant van de generieke naam. Fluvoxamine heet bijvoorbeeld ook wel fluvoxamine-maleaat. Of risperidon heet ook wel risperidone. Varianten die veel op elkaar lijken, zijn niet allemaal opgenomen. Zoek tijdens het typen in de lijst naar de verwante naam. Een andere oorzaak kan zijn dat u een niet in Nederland geregistreerde merknaam intypt. Apothekers voeren soms middelen uit het buitenland in. Zoek in dat geval op de doos of in de bijsluiter naar de generieke naam van het middel.

Daarna herhaalt u deze procedure voor het tweede middel enzovoort tot maximaal tien middelen.

Substantielijst

Onder substantielijst staan:

Naam: Hier verschijnt de door u ingevoerde naam
Middel: Hier verschijnt de generieke naam van het middel
Verwijder: Als u op deze knop klikt verdwijnt het betreffende middel uit de lijst
Wis alles: Als u op deze knop klikt verdwijnen alle middelen uit de lijst en kunt u opnieuw beginnen

Interacties

Hier staat tussen welke twee middelen interacties gevonden zijn.

Onder “ErnstStart” en “ErnstStop” staat “ernstig” of “matig”. De bedoeling is dat u interacties waar “ernstig” bij staat altijd nader bestudeert en in uw behandelbeslissingen verdisconteert. “Ernstig” betekent niet dat gelijktijdig gebruik van deze twee middelen altijd is uitgesloten.

Bij interacties waar “matig” bij staat is het niet altijd noodzakelijk deze te bestuderen of in uw behandelbeslissingen te verdisconteren. Het betekent wel dat er een interactie is, en dat deze onder bepaalde omstandigheden of bij bepaalde patiënten tot problemen kan leiden. U moet dus alert zijn en zelf beoordelen of u deze informatie (voorlopig) negeert.

Interactie info

Klik op een regel bij “Interacties” en onder “Interactie info” verschijnt de volgende informatie:

Interactie: Hier staat wat voor interactie er plaats kan vinden. Dit kunnen er meer dan één zijn.
Mechanisme: Hier staat wat de oorzaak is van de interactie die er naast staat.
Commentaar: Aanvullende informatie over de desbetreffende interactie.
ErnstStart / ErnstStop: De interactiedatabase geeft informatie over eventuele interacties die optreden bij het starten van een middel bij al bestaande farmacotherapie (ErnstStart, ofwel de ernst van het starten van een middel dat een interactie oplevert met een ander middel), maar ook informatie over of het stoppen van een middel leidt tot het wegvallen van een interactie die uw aandacht vereist (ErnstStop, ofwel het stoppen van een middel dat een interactie opleverde met een ander middel waardoor de interactie wegvalt). Dat laatste verdient ook uw aandacht.Een voorbeeld: Uw patient rookt en u wilt deze instellen op clozapine. De interactiedatabase vermeldt dat u er rekening mee moet houden dat roken 1A2 induceert, waardoor de clozapine bloedspiegel lager zal uitvallen bij een constante dosering. U verhoogt daarom de dosering clozapine om zo dezelfde bloedspiegel te bereiken. Wanneer uw patient nu stopt met roken valt de interactie weg. Daardoor zal de spiegel stijgen. De interactiedatabase geeft in dat geval de melding ‘ErnstStop = ernstig’, omdat een hoge bloedspiegel van clozapine tot ernstige bijwerkingen kan leiden.

Geraadpleegde bronnen

De volgende bronnen zijn bij praktisch alle psychofarmaca geraadpleegd:

  • Adverse Drug Interactions Program, The Medical Letter®
  • GeneMedRx, Genelex Corporation, http://www.genemedrx.com
  • Stocley’s Drug Interactions, Pharmaceutical Press, http://www.medicinescomplete.com
  • PubMed, http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi (searches naar psychofarmaca op generieke naam met “metabolism”, “interaction” en soortgelijke termen)